“Het begint met een visie”

Naar een gemeentelijk speelbeleid

'Buiten spelen' staat sinds enkele jaren op de politieke en maatschappelijke agenda. Vooral voor gemeenten lijkt een taak weggelegd op speelgebied. Maar hoe? "Alles begint met een visie", zeggen Marcel Plemp en Pauline van der Loo van NUSO Speelruimte Nederland.

Door Johan Nebbeling

Van (buiten) spelen weten ze alles bij de NUSO. Al meer dan 75 jaar houdt de organisatie zich bezig met dit thema. NUSO vertegenwoordigt ruim 800 speeltuinverenigingen in heel Nederland. De organisatie heeft zich ontwikkeld tot dè kennisorganisatie op het gebied van buiten spelen en adviseert en ondersteunt gemeenten – en andere organisaties - over het ontwikkelen en uitvoeren van een speelruimtebeleid. 
“Spelen is tegenwoordig een serieus beleidsthema bij gemeenten", vertelt Van der Loo, plaatsvervangend directeur van NUSO. “Vroeger sneuvelde het onderwerp vaak zodra er andere belangen om de hoek kwamen kijken, zoals parkeren of woningbouw. Maar tegenwoordig gebeurt dat eigenlijk nauwelijks meer."
Buitenspelen is de laatste jaren een politiek issue geworden. Zo heeft de SP bij monde van Agnes Kant tevergeefs geprobeerd in de wet vast te laten leggen dat gemeenten minimaal 3 procent (ontwikkeld door NUSO en Jantje Beton) van de buitenruimte als speelruimte moeten inrichten. Dat initiatief heeft het niet gehaald. Wel heeft het Ministerie van VROM de 3 procent-norm in 2006 als richtlijn in een beleidsbrief aanbevolen aan alle gemeenten. Dit alles heeft buiten spelen wel breed onder de aandacht gebracht van beleidsmakers en bestuurders.

Worsteling
Wat niet wegneemt dat veel gemeenten worstelen met het thema,  weet projectleider Marcel Plemp. “Zeggen dat er voldoende goede, veilige en uitdagende speelruimte beschikbaar moet zijn in een gemeente, is één ding. Maar daadwerkelijk actie ondernemen, dat is een heel ander verhaal."
Op de weg van het ontwikkelen van een speelruimtebeleid naar de uitvoering staan niet zozeer wetten in de weg, als wel praktische bezwaren, is zijn ervaring. "Speelruimte levert, anders dan bijvoorbeeld woningbouw, geen geld op maar kost alleen maar geld, is vaak de redenering. Die overigens niet klopt. Wij kunnen aantonen dat speelruimte juist wel veel oplevert, zoals fittere kinderen, leefbare wijken en het behoud van jonge zinnen voor de stad. De financiële baten daarvan worden echter pas zichtbaar op langere termijn."

Zeggenschap
Meer praktisch gezien is een hinderpaal dat in de regel vele afdelingen binnen een gemeente te maken hebben met en zeggenschap hebben over spelen. Van Onderhoud en Beheer tot Financiën, van Welzijn tot Sport, van Verkeer tot Onderwijs. “Spelen is zo veelomvattend dat vrijwel elke gemeentelijke afdeling er wel enige betrokkenheid bij heeft. Elke afdeling bekijkt het onderwerp vanuit de eigen invalshoeken en belangen. En die kunnen soms tegenstrijdig zijn.”
Daarom is het voor het initiëren van een succesvol speelbeleid van belang om eerst te inventariseren wie betrokken zijn bij spelen en vanuit welke invalshoek, meent Van der Loo. “Een van de valkuilen bij het ontwikkelen en implementeren van een gemeentelijk speelbeleid is: onderschatten hoeveel partijen iets met spelen doen. Die partijen moet je vervolgens op een lijn krijgen. Want je kunt als afdeling Welzijn wel allerlei ambities hebben met spelen, maar als Financiën die ambities niet kent of dekt, heb je toch echt een probleem."

Beeld
Plemp: “Het valt niet altijd mee om een goed beeld te krijgen, maar het is wel essentieel. Meestal blijkt namelijk dat er, alles bij elkaar, al veel gebeurt op speelruimtegebied binnen een gemeente. De afdeling Verkeer is bijvoorbeeld bezig met veilige schoolroutes, de afdeling Onderwijs met buitenschoolse activiteiten. Alleen ontbreekt vaak de samenhang, de richting en weten afdelingen niet van elkaar waar ze mee bezig zijn. Effectief speelruimtebeleid ontwikkelen en implementeren betekent vaak vooral: goed organiseren. Wij adviseren gemeenten meestal om een brede werkgroep samen te stellen die het speelruimtebeleid opstelt, implementeert en coördineert.”
Maar dan moet er dus wel eerst beleid zijn, zegt Van der Loo. “Alles begint met een visie op spelen, op basis waarvan een goed doortimmerd integraal beleidsplan kan worden gemaakt. Als een visie ontbreekt komt er nooit een integraal plan en blijft het bij het ad hoc-beleid dat nog veel gemeenten hanteren.”

Wipkip-terreur
En ad-hoc biedt op de langere termijn geen oplossingen, meent Plemp. Integendeel. Ad-hoc-beslissingen hebben bijvoorbeeld geleid tot wat hij 'de wipkip-terreur' noemt: het overal in Nederland verschijnen van vrijwel identieke speeltoestellen en speelplaatsjes, waarop kinderen 'binnen 3,2 minuten' zijn uitgekeken. “Wij ageren daar al jaren tegen.”
De wipkip-terreur is volgens Plemp overigens verklaarbaar. “Speeltoestellen vallen vanouds vaak onder de afdeling (groen)beheer en onderhoud. Die kijkt meestal puur vanuit beheerstandpunt naar speeltoestellen. Als er een kapot is, wordt-ie vervangen. Of niet, als niemand erover piept. Klagen ouders over gebrek aan speelruimte voor hun kinderen? Dan is een wipkip een makkelijke en goedkope oplossing. Geen omkijken meer naar.”
Bovendien heeft enkele jaren geleden een enorme kaalslag in het aantal speelplaatsen en speeltoestellen plaatsgevonden door de invoering van het Attractiebesluit. Veel speelplaatsen en –toestellen bleken niet te voldoen aan de nieuwe, strenge veiligheidseisen. Plemp: “Omdat speeltoestellen vaak niet eens op de balans stonden, was er ook geen geld gereserveerd voor vervanging ervan. Sindsdien zijn gemeenten op grote schaal relatief goedkope wipkippen en andere weinig inspirerende speeltoestellen gaan plaatsen.”

Rioolbuizen
Terwijl het zoveel leuker en simpeler kan: “Spelen hoeft niet altijd met toestellen. Maak een terrein waar kinderen lekker aan de gang kunnen met water en zand, waar ze van heuvels af kunnen rollen of door rioolbuizen kunnen kruipen. Zorg voor een mooie begroeiing en toegankelijke looproutes, zodat het ook een ontmoetingsplaats wordt voor ook omwonenden Succes gegarandeerd.”
Veel gemeenten hebben inmiddels wel een speelplekkenbeleid ontwikkeld, maar nog geen speelruimtebeleid, constateert Van der Loo. “En dat is toch echt een essentieel onderscheid. Speelplekkenbeleid gaat over welke toestellen en speelplaatsjes wil je wanneer en waar realiseren. Niet meer dan dat. Maar speelruimtebeleid gaat veel verder. Dan verbindt je spelen met zaken als veiligheid, verkeer, sport, welzijn, onderwijs.”
Vaak komt het initiatief voor een dergelijk integraal beleid uit de ambtelijke organisatie. “En daar is niks mis mee. Maar wat de zaak echt in een stroomversnelling kan brengen, is een bevlogen bestuurder. Als bijvoorbeeld een gemotiveerde wethouder zich sterk maakt voor buiten spelen, scheelt dat heel veel, is onze ervaring. Dan kunnen er echt mooie dingen gebeuren in een gemeente.”

Bevlogenheid
Bestuurlijke bevlogenheid is zelfs een kritische succesfactor, meent Plemp: “Naarmate je dichterbij de uitvoering van speelbeleid komt, wordt het lastiger. De gemeenteraad gaat steggelen over budgetten. Kan dat niet wat minder? Of wat ook vaak voorkomt: een groepje omwonenden, waarvan de kinderen al ouder zijn,  verzet zich tegen de komst van een speelterrein. Dan is het zaak je daar niet te snel bij neer te leggen en daadkracht te tonen.”

Kader

Tips voor de ontwikkeling en implementatie van een succesvol speelruimtebeleid

1.Ontwikkel een integrale visie op spelen en speelruimte
2.Inventariseer welke gemeentelijke partijen iets met spelen van doen hebben en betrek die bij de ontwikkeling en implementatie van het beleid.
3.Integreer bestaand beleid in het speelruimtebeleid
4.De uitvoering van een speelruimtebeleid kost (veel) geld. Kies daarom voor een geleidelijke invoering, waardoor de kosten niet uit de hand lopen.
5.Wees creatief: spelen is meer dan een wipkip.
6.Betrek omwonenden in een vroeg stadium bij plannen, maar durf ook tegen de wensen van buurtbewoners in te gaan. Meestal ageert alleen klein groepje tegenstanders tegen een plan.
7.Zorg dat buurtbewoners zich mede-verantwoordelijk gaan voelen voor een speelterrein, bijvoorbeeld door hen tegen een kleine vergoeding een lichte beheertaak te laten verrichten.
8.Bedenk watje vroeger als kind zelf leuk vond en luister bij de ontwikkeling van speelplaatsen vooral naar wat kinderen zelf willen. Laat ze meedenken, meepraten en mee-ontwikkelen.
9.Kijk in het Handboek Gemeentelijk Speelruimtebeleid, dat NUSO heeft ontwikkeld in het kader van Child Friendly Cities samen met Jantje Beton, VNG en het Ministerie van VROM. Boek kwijt of nooit ontvangen? Bestel het dan via www.metsenschilt.com

  • Publicatie: Tuin & Landschap

    i.o.v.:

    Door: Johan Nebbeling